Laatste update: 15-01-2015 16:32

Voorwoord


Hieronder treft U een artikel met de titel “Fictie-theorie”, welke een theorie over het bestaansrecht van het menselijk leven onderbouwt.

Na het beschrijven van de fictie-theorie is getracht, in een summiere confrontatie, te beredeneren welke invloed een doorgevoerde toepassing van de fictie-theorie op de monotheïstische wereldgodsdiensten in een eeuwenoude belevingswereld zou kunnen hebben.

FICTIE-THEORIE


Een theorie over het bestaansrecht van het “menselijk” leven..


Deze theorie is gefundeerd op het -op basis van de huidige kennis- wetenschappelijk onderbouwd scheppingsverhaal en verrijkt met wetenschappelijke inzichten, zoals deze door professor E. Schillebeeckx in zijn boek “Jezus, het verhaal van een levende” is beschreven.

Bij het neerleggen van de bestaanskwestie, verwijst de wetenschap naar de Big Bang en de evolutieleer. Het universum schijnt te zijn ontstaan uit een Big Bang en blijkt steeds te expanderen.

De immensiteit van het universum maakt het niet verwonderlijk, dat bij een voortgezette ontleding van de uit de Big Bang afkomstige materie, steeds naar verhouding enorme leegtes (in molecuul, atoom, Higgs particles) worden geconstateerd.

Stel dat, bij ultiem voortgezette materie-ontleding geen materie wordt aangetroffen, hetgeen gezien de tot dusverre bekende wetenschappelijke resultaten niet irreëel is (en bovendien waarschijnlijk wetenschappelijk niet te achterhalen), leven we dan in een leegte?

Reeds Einstein’s relativiteitstheorie concludeert dat ruimte, materie, tijd en energie uit niets zijn ontstaan.

Is het leven dan gebaseerd op een “fictie”?
En, geen materie, dan ook geen daaraan gekoppelde tijd!
Leven we in een eeuwig heden!

Uitgaande van een fictie, wat is dan de oorsprong van de Big Bang?

Hoogstwaarschijnlijk is deze oorsprong net als de “Big Bang-fictie” ook materieloos en kent deze oorsprong zonder materie ook geen tijd. Bovendien wat materieloos is, is niet geschapen en kent dus geen begin en geen einde. Ofwel deze oorsprong is een eeuwige materieloze potentie, welke ondanks zijn materieloosheid doch blijkens zijn scheppend vermogen, wel een zichzelf-bewustzijnde is.

Dit in tegenstelling tot de mens, welke zonder materie zich niet meer bewust is en als consequentie niet bestaat.

De vraag werpt zich op; waarom schept deze zichzelf-bewustzijnde potentie de fictie?

Alvorens een mogelijk antwoord te kunnen vinden, dient eerst de plaats van de mens binnen die fictie gekend te worden.

chimp recognizes himself in mirror Zoals bekend heeft binnen de fictie een evolutieproces plaatsgevonden, waarbinnen in een laatste fase het dier is geëvolueerd in een zichzelf-bewustzijnd wezen, n.l. het de overgangsfase gepasseerde dier.

De mens is een zichzelf-bewustzijnde, zoals ook de schepper van de fictie blijkt te zijn. Doch met het verschil, dat ons zelfbewustzijn is gekoppeld aan de materie binnen de fictie. Loskoppeling van de fictie betekent het einde van zijn zichzelfbewustzijn ofwel de dood (de eindigheid van de mens).

Hoewel gekoppeld aan de materie is de mens, als een zichzelfbewustwezen, zelf beslissend (autonoom).
Binnen de fictie kan hij scheppen, maar ook vernietigen, n.l. zichzelf het leven benemen, delen van de tot dusverre geëvolueerde fictie via oorlogen en mogelijk CO2-uitstoot vernietigen.

Zo ligt het binnen de mogelijkheden van de mens wel of niet de schepper van de fictie te willen leren kennen en daarmee wel of niet het bestaan van die schepper te erkennen.

Van gedwongen erkenning is vanwege het autonoom bekwaamzijn geen sprake en dus geen reden voor de schepping van een fictie. Het autonome van de mens lijkt ook “Spielerei” uit te sluiten.

Toch moet de mens, als een zichzelf-bewustzijnd, zich onafhankelijk opstelbaar wezen, waar omheen de hele universum-fictie lijkt te zijn geconstrueerd, een voor de fictie-schepper belang dienen te hebben.

Het lijkt echter geen belang te dienen om bij het levenseinde van een mens, deze zonder meer uit de fictie te laten verdwijnen. Kennelijk biedt de fictie-schepper aan de mens de mogelijkheid om het zichzelf-bewustzijnde buiten de fictie te plaatsen en dat ongetwijfeld met een doel.

Een mogelijk doel wordt binnen het monotheïsme geformuleerd. De reden van de schepping wordt daar gevonden in een bestaanserkenning van de fictie-schepper, maar dan gestoeld op vrijwillige basis, n.l. op vrijwillige autonome onbaatzuchtige grondslag. Dit zou leiden tot een verankering van het zichzelf-bewustzijn van de mens in het zichzelf-bewustzijnde van de fictie-schepper met een daaruit voortvloeiende ontkoppeling van de fictie.

Doch waarom zou een bestaanserkenning de reden vormen om de mens te introduceren?
Door het scheppen van de mens doorbrak de Schepper een eenzaam verkeren in een tijdloze leegte, zonder te kunnen liefhebben en geliefd te worden, waarin zelfgenoegzaamheid voor de Schepper gelijk was aan een niet bestaan.
In wezen schiep de Schepper door het introduceren van de mens Zichzelf.

Hiermede geraakt men op het terrein van de religie. Hierbij kan direct al een link gelegd worden met het monotheïsme, waarbinnen net als in de boven beschreven fictie-theorie, slechts één Schepper wordt gekend.
Bij aanname van een verondersteld bestaan van meerdere potenties, blijft het desalniettemin, vanwege de fictiebinding van de mens aan die ene scheppende potentie, een monotheïstische aangelegenheid. Waarschijnlijk zijn er niet meer potenties, omdat dan voor een bestaanserkenning geen schepping van de mens nodig zou zijn geweest. Bovendien blijven mogelijke potenties, die geen zelferkenning nastreven voor een ander onbekend en bestaan dus niet.

Het aangehaalde monotheïsme vindt zijn oorsprong in de Joodse religie, welke historisch verklaarbaar, een nationaal en een te menselijk karakter heeft verkregen.
Een zowel voor de Islam als voor het Christendom belangrijke Joodse profeet, Jezus van Nazareth, is op dit punt corrigerend op getreden en heeft de Joodse religie ontdaan van zijn menselijke invloeden en daardoor de religie een universeel karakter gegeven.

Professor Schillebeeckx heeft in zijn boek “Jezus, het verhaal van een levende” geprobeerd Jezus van Nazareth historisch te plaatsen, daarbij rekening houdende met de Joodse cultuur en het symboliek in het taalgebruik, uitgaande van verantwoorde linguïstiek en zich alleen baserend op feiten en wetenswaardigheden, welke historisch dubbel gecontroleerd kunnen worden.

Daarin construeert hij een historische figuur, die op grond van zijn levenspraxis, gedane uitspraken en geloofsbeleving, wel eens het diepere antwoord zou kunnen geven voor de wijze waarop de eerder beschreven verankering van het zichzelf-bewustzijnde van de mens in het zichzelf-bewustzijnde van de Schepper, ofwel de ontkoppeling van de fictie, tot stand kan komen.

Zijn nalatenschap concentreert zich op; het mens zijn voor de ander, de positieve menselijke gevoelens voor al hetgeen waardevol is in de mens, het reageren (ook via de mens) op de universele mensen-liefde van God. Deze levenshouding acht hij verbindend en doet de zaak van de mens samenvallen met de zaak van God, in een gemeenschap met God.

Verbondenheid en verankering blijken dus te worden gerealiseerd door de bereidheid zijn volste persoonlijkheid ondergeschikt te maken aan het waardevolle in de mens en aan de Schepper, waardoor over en weer erkenning van elkaars volste bestaan wordt bewerkstelligd. Professor Schillebeeckx formuleert dit “als het openbreken van de menselijke liefde als een flits aan de universele scheppende liefde van God”.

Een dergelijk verondersteld vermogen tot verbondenheid en verankering met een scheppende oer-potentie doet vermoeden, dat binnen de fictie-theorie bij het evoluerend dier pas sprake is van een mens, indien deze een potentieel schepper-bewust zichzelf-bewust wezen is.

Deze stelling werpt de hypothetische vraag op: waarom en hoe een dier, de evolutieleer gehoorzamend, in een bepaalde ontwikkelingsfase tot een scheppersbesef gekomen is. Het bereiken van een scheppersbesef-fase lijkt niet de evolutie dienend, net zo min als een zelfbewustzijnde, welke de evolutie strijdig, zelfdestructief kan zijn.
Of wordt het dier “mens” minder gevormd door de evolutie-perikelen, maar meer beïnvloed door de streling van zijn verworven ego, waardoor de mens vanzelf met een scheppersbestaan wordt geconfronteerd.

Laat de Schepper het alleen bij een erkenning, gebaseerd op een verankering van het zelfbewustzijn van de mens in het zelfbewustzijn van de Schepper, of, acht Hij een dergelijke erkenning niet fundamenteel genoeg.

Het volgende is mogelijk:
Uitgaande van de in de fictie-theorie veronderstelde “schepper”-erkenning, gestoeld op vrijwillige autonome onbaatzuchtige grondslag, zal een “schepper”-erkenning door een volledig op de Oorsprong gelijkende bewustzijnde het ultieme erkenningseffect verwezenlijken.
Er zou dan sprake zijn van eenzelfde, weliswaar tot het menszijn uitvoerende macht beperkte, oer-bewustzijnspotentieel toekenning gelijk aan die van de Schepper.
In dat geval dienen er zich twee mogelijkheden aan:
  1. Het oer-bewustzijnspotentieel is onuitputtelijk vermeerderbaar, zodat mogelijk bij ieder menswording (met waarschijnlijk een definitieve en volwaardige toekenning op het moment van overlijden “in de Heer”) via de mens een stukje aan het oer-bewustzijnspotentieel wordt toegevoegd.
  2. Het oer-bewustzijnspotentieel “is” van alle tijden, dus niet geschapen en daarom mogelijk onvermeerderbaar. In deze these schenkt de Schepper aan ieder mens een fractie van zijn, gezien de omvang van de schepping, onmetelijk oer-potentieel.
Overigens verwacht men wetenschappelijk te hebben vastgesteld, dat het universum zich niet, zoals aanvankelijk werd verondersteld oneindig herhaalbaar uitdijt en wederom samen trekt, waardoor een in punt B veronderstelde eindigheid van het universum lijkt te worden bevestigd.
In het kader van de fictie-theorie duidt een mogelijke eindigheid van het universum op het feit, dat blijkbaar het nut van een aardse mensheid eens zal ophouden te bestaan, waardoor aan de voorgestelde mogelijkheid B de voorkeur gegeven moet worden. Bovendien verwezenlijkt mogelijkheid B het ultieme erkenningseffect.

Indien er sprake is van een door de Schepper al bij voorbaat aan de mens toebedeelde fractie in het oer-bewustzijnspotentieel, waarom is er vervolgens een fictie-leven te volbrengen? Het antwoord zou kunnen zijn, dat door een koppeling van dit oer-bewustzijn aan het aards bestaan, middels koppeling van de menselijke liefdestraling aan de universele goddelijke liefde (binnen de goddelijke liefde-levensgemeenschap) een eigen identiteit aan het vernoemd menselijk bewustzijn wordt gegeven (“gelijk een schattenverzameling in de hemel”, Mattheüs 6:20).

Bovendien kan deze identiteit, met de liefde als waardenorm, dan niet besmet worden door het negatief autonome, omdat men dan immers volgens de fictie-theorie bij het verlaten van de fictie (overlijden) zijn bestaansbewustzijn tezamen met de materie verliest. Het bijbelverhaal over de “gevallen engelen” leert reeds, dat het verkrijgen van een identiteit aanleiding kan geven tot het negatief autonoom opstellen, hetgeen via boven beschreven wijze, middels een aards leven kan worden geëlimineerd.

De realiteit omtrent de geschetste vorm van een oer-bewustzijn, blijft onbekend, maar mag hier van een “ziel” gesproken worden?

Het effect is een door de Schepper met de mens beoogde relatie, waarin de Schepper een deel van zichzelf aan de mensheid schenkt, waarbij van de mensheid wordt verwacht, dat deze vanwege zijn verkregen bestaansrecht in onbaatzuchtige liefde Zijn bestaan erkent, zoals Hij deze erkent van de mens.

In de ontstane goddelijke liefde-levensgemeenschap deelt men elkaars liefde en bijgevolg ook zijn spirituele liefdeservaringen in en tot de schepping, en mogelijk, in het kader van een veronderstelde tijdloosheid, zelfs het herbeleven van deze spirituele liefdeservaringen.

Waarschijnlijk is de fictie-theorie wetenschappelijk nooit te onderbouwen. Niettemin kan geconcludeerd worden, dat een ontkenning van een scheppende God moeilijker is gemaakt en de vrijdenker stof tot nadenken heeft gekregen.

De fictie-theorie en het Christendom


Tracht men de fictie-theorie in zijn zuiverste vorm in het Christendom te integreren, krijgen christelijke begrippen zoals triniteit, hemel, hel en vagevuur (waarbij we de christelijke onderbouwingen hiervan verwaarlozen) een iets andere lading.


“Triniteit” vertaalt zich als een liefdesgemeenschap, waarin;
  • De “Vader”= de Schepper, ofwel het oorspronkelijk oer-bewustzijnspotentieel, vertegenwoordigt. Schillebeeckx citerend “de universele scheppende liefde van God”.
  • De “Zoon”= de, met de door de Vader geschonken (oer)bewustzijn geschapen, aan de fictie ontkoppelde mensheid. Wederom citerend, “de menselijke liefdesflits aan de universele liefde van God”.
    De door de Vader beoogde relatie met de Zoon is door een in de Bijbel voorspelde, op grond van,- zijn levenspraxis, gedane uitspraken, geloofsbeleving, het wonderbaarlijk heilzaam optreden -, op de voorgrond tredende profeet, Jezus van Nazareth, in de wereld uitgedragen. Door zijn voortrekkersrol werd hij de verpersoonlijking van de gehele mensheid binnen de Zoon en waarschijnlijk de belangrijkste voorspreker bij de Schepper in de goddelijke liefdelevensgemenschap.
  • De “Geest”= de verbondenheid (verankering van beider zelfbewustzijn) tussen de Vader en de Zoon. Zonder de Vader geen Zoon, zonder de Zoon niet de door de Vader gewenste erkenning; verpakt in een onvoorwaardelijke liefdesrelatie. (De liefde, welke over en weer de Vader met de Zoon verbindt.)

De boven gegeven triniteitsuitleg wijkt in de omschrijving van de “Zoon” af van de christelijke leer; doch ook binnen de christelijke stromingen, de Joodse religie en de Islam wordt hierover verschillend gedacht.
De Joodse religie en de Islam spreken van een profeet, terwijl in het Christendom het mens/god-zijn geleidelijk als een leerstelling is gerijpt, zodat deze in het jaar 325 AD in het concilie van Nicea onder besluitvormingsdruk als een dogma is opgenomen. Dit dogma gaat er van uit, dat de Zoon uit de Vader is voort gekomen.

Volgens Schillebeeckx (en indringender volgens Kermit Zarley in zijn boek “The restitution of Jesus Christ”) heeft de historische Jezus zijn vermeend god-zijn nergens zelf beaamt. Hetgeen mogelijk duidt op een omzichtig vermijden van elke belemmering van het menselijk onafhankelijk en autonoom zijn.
Diezelfde Schillebeecks beschrijft Jezus als een uitzonderlijk historisch mens, welke, middels zijn levenspraxis, zijn levensbeschouwing en godservaring, een bijzondere band met zijn Schepper wist te smeden, hetwelk, middels zijn gebruik van de toen nog niet in de Joodse religie gebezigde woord Abba (vertaald Pappa) i.p.v. Jahweh, Vader etc. een zeer emotionele diepgang kreeg.

Het lijkt daardoor mogelijk dat een smeekbede van de profeet Jezus aan zijn Abba en nog wel ten behoeve van het heil van zijn medemens, op een grotere impact mocht rekenen dan een allemans persoonlijke bede.

Mogelijk verklaart dit waarom hij destijds opvallend heilzaam in Palestina kon rondgaan. Overigens werd in de Joodse cultuur al eerder voor profeten de (menselijke) titel zoon van God gebezigd.

De bijzondere status in de Bijbel lijkt verklaarbaar uit het ontbreken van tijd buiten het fictiebestaan.. Deze periode wordt door de Schepper als tijdloos ervaren, waardoor Hij kon voorzien, welke uitzonderlijke band Jezus met zijn Schepper (zijn Abba) zou gaan smeden. Dermate innig, dat Jezus een voortrekkersrol verwierf binnen een door de Schepper beoogde relatie van de mens tot zijn Schepper.
Mogelijk is dit een reden, dat zijn komst in de Bijbel werd voorbereid.

Binnen de fictie-theorie is een schepping van een goddelijke Zoon niet verklaarbaar, omdat bij meer (goddelijke) oer-potenties voor een bestaanserkenning van de Schepper de schepping van de mens niet nodig zou zijn geweest.

Ter ondersteuning van hun dogmavisie verwijzen bijbelvaste christenen naar dat deel in de Bijbel, waar, blijkens de apostelen Markus (1:9-12), Lukas (9:28-36), Mattheüs (17:1-11), op de berg Tabor, en, blijkens de apostelen Markus (1:9-11), Lukas (3:21-22), Mattheüs (3:13-17), bij de doop van Jezus van Nazareth door Johannes, bij beide gebeurtenissen vanuit de hemel zou hebben geklonken: “Dit is mijn welbeminde (uitverkoren) zoon, in wie ik mijn welbehagen heb, luister naar hem”.
Echter, het gebruik van de zegswijze “welbemind (uitverkoren)” en “in wie ik mijn welbehagen heb” lijken overbodig, tenzij er ook zonen zijn, die niet welbemind (uitverkoren) of niet behagen.
Deze veronderstelling strookt met de fictie-theorie, waar elk mens (als zonen) in Gods existentie kan deel hebben, hetgeen echter niet door ieder mens wordt opgepakt op de wijze, waarop de Schepper zijn relatie met de mensheid had beoogd.

Uit de geschriften van de genoemde apostelen mag anderzijds worden geconcludeerd, dat de Schepper vanwege de tijdloosheid heeft voorzien, dat Jezus van Nazareth zijn missie (luister naar hem) zou volbrengen, waardoor Jezus, blijkens voornoemde vanuit de hemel geklonken uitspraken, tot het representatieve toonbeeld van en voor de mensheid werd verkozen..

Deze verkiezing zou de Schepper hebben kunnen inspireren om aan Jezus van Nazareth, eerder dan gebruikelijk (bij zijn doop i.p.v. zijn overlijden) de reeds voorzien te verwerven (goddelijke) ziel (= onderdeel in Scheppers’ oerpotentieel) te schenken.

Echter, meer voor de hand ligt de aanname, dat, in zijn bewustwordingsproces van een door de Schepper tot de mens beoogde relatie, Jezus van Nazareth de scheppingskracht van zijn Schepper heeft mogen ervaren.

Immers, nadat de mens van zijn fictieleven is ontkoppeld, zal de Schepper, vanwege die beoogde door liefde gedragen volmaakte wederzijdse erkening (relatie), zijn volledig “Zijn” voor de mens open stellen.

Vanuit die gedachtegang is het mogelijk, dat Jezus van Nazareth door zijn innig contact met zijn "Abba" reeds tijdens zijn fictieleven "“wonderbaarlijke” ervaringen heeft opgedaan.

Van deze als Messias verworven uitzonderingspositie zal Jezus van Nazareth zich geleidelijk middels de door hem verrichte, hem onverwachte wonderen, bewust zijn geworden.

Van bovenstaande veronderstelling uitgaande heeft Jezus van Nazareth op een roeping van zijn Schepper gereageerd en als mens gezocht naar de essentie van zijn missie, zoals deze door zijn Schepper was bedoeld, waarbij hij op een bijzondere wijze door miraculeuze gebeurtenissen en bijbel-profetiën is gesterkt.

Als de verkozen specimen van de mensheid, heeft Jezus van Nazareth de verstandhouding met en de mogelijkheid tot een relatie met de Schepper verfrist, waardoor Jezus een ten opzichte van de mensheid een geprivilegieerde positie binnen de “Zoon” heeft verworven.

Als specimen zou Jezus, in zijn zoektocht naar de essentie van zijn missie en de gevolgen daarvan steun van de mensheid mogen verwachten in een bede tot hun Schepper.

Anderzijds kan de mensheid een beroep doen op de door Jezus verkregen status in de relatie tussen de mens en zijn Schepper, door zijn bemiddeling in te roepen bij het zoeken van contact met de Schepper.

In de wereldgodsdiensten hebben vele mensen een dergelijke roeping ervaren en hebben de door hen veronderstelde essentie van hun missie uitgedragen, waarbij naar grote namen verwezen kan worden als Mohammed, Boeddha, Confucius en alle in alle religies te vinden heiligen.

Het is bemoedigend om binnen de Rooms Katholieke Kerk het volgende bewerkte “credo” te mogen horen:
Ik geloof in de liefde,
bron van alle leven
in alle tijden;
om die reden geloof ik in Jezus Christus
kind van Maria.
Ik geloof in het levend voorbeeld van hem,
die gekruisigd is, gestorven en begraven,
maar leeft in ons,
die zijn naam dragen
en zijn gedachtenis vieren.
Ik geloof dat zij,
die in de liefde geloven
niet zullen sterven in eeuwigheid.
Ik geloof in de grootheid van zijn mens-zijn:
Hij is de maatstaf.
Hij is de toetssteen voor ons wijze van leven.
Ik geloof in mensen, die samen een kerk willen vormen,
die vol twijfels geloven, dat er een liefhebbende God is,
die samen met hen meetrekt.


Waarschijnlijk is de betiteling op zich niet van belang, omdat dit anders op overdonderende wijze in het leven van Jezus van Nazareth bekend zou zijn gemaakt.

Kennelijk ging het om de boodschap, welke aan de wereld werd gebracht.

Als aanvulling wordt bij deze verwezen naar het boek van Paul Verhoeven. Deze beschrijft in zijn boek “Jezus van Nazareth”, gestoeld op zijn cinematografische achtergrond en gevoed door de in 20 jaar bijgewoonde door prominente geleerden bevolkte “Jezus Seminar”, een historische Jezus, welke de immer onbekend blijvende werkelijkheid zou kunnen benaderen.

Mocht de boven gegeven argumentatie een afwijkende positie van Jezus Christus binnen het Christelijk denken niet rechtvaardigen, zou men desalniettemin mogen verwachten, dat ook Jezus’ menswording op de zelfde wijze heeft plaats gevonden als hiervoor bij de mens is beschreven..

Het dogma lijkt een zeer aanmatigende menselijke gedachtegang.
Immers, door hetgeen de Schepper reeds van zichzelf heeft gegeven, heeft de mens de mogelijkheid deel van Hem (Gods oerpotentieel) te worden en daardoor in alle evenwicht in Gods liefde-gemeenschap deel te hebben. Bovendien leeft de “Vader” (via directe of indirecte deelname van de mens in het oerbewustzijnspotentieel) door zijn onvoorwaardelijke liefdeverhouding tot de mens, intens mede met het lief en leed van de individuele mens, waardoor een “volledig menszijn” een onnodige menselijke gedachtegang lijkt te zijn.

Desalniettemin blijft ook met deze veronderstelde positie van Jezus Christus de eerder geopperde triniteitsgedachte, met name de omschrijving van de “Zoon”, overeind, zij het met Jezus Christus in een hoogst uitzonderlijke positie.



Integratie van andere christelijke begrippen binnen de fictie-theorie:

Het begrip “hemel” is een toestand van verbondenheid van de individuele liefde van de mens met de universele liefde van God en de daarmede (door zijn aandeel in het oerpotentieel) verbonden liefde van de gehele mensheid welke zich samenvoegt tot een goddelijke liefde-levensgemeenschap.
In deze goddelijke liefde-levensgemeenschap deelt men elkanders liefde, zijn spirituele liefdeservaringen in en tot de schepping, en mogelijk, in het kader van een veronderstelde tijdloosheid, zelfs het herbeleven van deze spirituele liefdeservaringen.

De “hel” betekent binnen de fictie-theorie de vernietiging van de niet van de fictie losgekoppelde mens, welke bij zijn overlijden zijn zichzelfbewustzijn tezamen met zijn materie verliest.

Het “vagevuur” is een is geen essentieel begrip binnen de fictie-theorie, maar zou een gemoedstoestandstoestand kunnen zijn, waarin overledenen, die wel van de fictie zijn losgekoppeld, doch hun liefdesverzakingen betreuren, welke hun “liefdesflits” aan de universele liefde van God had kunnen vergroten, misschien verbonden met een langer immaterieel aan de materie gekoppeld verblijf op aarde (zie helbegrip evangelisten).

“Duivels, satan, gevallen engelen” kent de fictie-theorie niet, doch dekt deze begrippen met “het negatief autonoom kunnen zijn” van de mens. In dit kader blijkt een beoogde verankering via erkenning van de Schepper, en wel, op basis van onvoorwaardelijke liefde, tevens het verwerpen van het eventueel gepraktiseerde “negatief autonome” te omvatten. De fictie-theorie kent wel overleden niet de fictie ontkoppelden, die via binding in het zelfbewustzijn van een levend wezen niet in staat zijn of bereid zijn de fictie te verlaten.

demon possessed swine gadar In Mattheüs 8:28, Lukas 8:26, Markus 5:1 (bezetenen der Gerasenen) wordt gesproken van “legioen duivels/onreine geesten”, welke middels zwijnen van een steilte ploften.

De fictie-theorie kent geen duivels, maar wel overleden de niet-fictie-ontkoppelden die, blijkens boven genoemde evangelisten via koppeling in het zelfbewustziijn van een levend wezen, de fictie niet hebben kunnen/willen verlaten.
Blijkbaar een grote kwelling! Een straf? Dus toch een “aardse” hel, waaraan zij door het sterven middels de zwijnen (de fictie via een bestaanloosheid verlatend) weten te ontkomen.

De evangelisten blijken eenzelfde “hel”-begrip te onderschrijven.

Het begrip “engel”. Binnen de fictie-theorie zouden engelen overleden fictie-ontkoppelden kunnen zijn, welke van uit de goddelijke liefde-levensgemeenschap hun geliefde nabestaanden, middels voorspraak bij de Schepper, trachten bij te staan.

De “Bijbel” is in de fictie-theorie van belang voor datgene deze heeft bijgedragen aan de door Jezus van Nazareth gebezigde uitspraken, geloofsbeleving en levenspraxis, waarmede de Bijbel inhoudelijk een vastlegging is van de geschiedenis van het monotheïsme, zoals Jezus van Nazareth deze heeft geïnterpreteerd.

Conclusie: de fictie-theorie heeft moeite met het “Zoon van God dogma”, doch past geheel binnen de christelijke traditie.

Fictie-theorie en Islam


Bij een integratie in zijn zuiverste vorm, van de fictie-theorie in de Islam, dient ter verduidelijking de positie van de profeet Mohammed (Moehammad) binnen de Koran gedefinieerd te worden.

Mohammed heeft, door het vooroverlijden van zijn vader en het jong overlijden van zijn moeder (6 jaar), gevolgd door het overlijden van zijn grootvader (8 jaar), vervolgens opgroeiende bij zijn veelvuldig op reis zijnde oom, al jong geleerd een eigen mening te vormen.
Tijdens zijn handelscontacten werd deze mening geconfronteerd met de Joodse cultuur en ontwikkelde hij zijn monotheïstische gedachtegang.
Omstreeks zijn 40-ste levensjaar ontving hij zijn eerste openbaring en verkondigde hij deze binnen een hem vijandige polytheïstische cultuur, die hem uiteindelijk dwong van Mekka naar Medina te vluchten.

In de eerste (Mekkaanse) verzen treft men hoofdzakelijk theologische basisuitspraken, maar, naar gelang zijn aanzien in de samenleving steeg wordt hij door zijn volgelingen geconfronteerd met problemen van sociologische en praktische aard, waarop de antwoorden in de latere (Medinische) verzen worden geformuleerd.
Deze verzen zijn in een bepaalde achtergrond (leer van de Asbâb en Noezoel) ontstaan en dienen naar heden ten daagse achtergronden te worden getransformeerd (kennis van het Nâsikh en Mansackh). Toendertijd werden deze sociologische en maatschappelijke achtergronden overheerst door de Bedoeïense cultuur (slaven e.d.); waaraan de profeet Mohammed met tact en wijsheid heeft geschaafd en in de Medinische verzen pasklaar op de noden van die tijd heeft verwoord.

Dezelfde problematiek treft men in het scheppingsverhaal (Adam en Eva), welke zowel door de Islam als het Christendom uit de Joodse religie is over genomen, waarin, binnen de toenmalige stand van de wetenschap, werd geopperd, dat het universum (en de mens) in zes dagen zou zijn geschapen. Dit bijbelverhaal is door de Koran overgenomen en wordt in vele verzen geciteerd.
Volgens de huidige stand van de wetenschap wordt de Big Bang met de evolutieleer als ontstaanswijze van het universum aanvaard.
Dit doet echter geen afbreuk aan de essentie van het scheppingsverhaal, n.l. dat het universum met de mens door Allah is geschapen doch alleen over een langere periode dan 6 dagen (de Koran-uitleg spreekt ook van dagen = perioden).

Met deze constatering en het monotheïsme (en het ontbreken van het triniteitsdogma) is de fictie-theorie niet strijdig in de leer met de Islam. Wel worden de begrippen; hel en hemel, in de fictie-theorie spiritueler omschreven dan in de Islam, waar deze begrippen in menselijke (voor de mens tastbaarder) normen worden weergegeven.

Begrippen als engelen en djinn’s kent een consequent doorgevoerde fictie-theorie niet ofwel men zal het volgende kunnen beredeneren:
“Engelen” zijn overleden de fictie-ontkoppelden, die vanuit hun positie (in de hemel) hun geliefde nabestaanden als voorspreker bij Allah, trachten bij te staan.
“Djinn’s” kunnen zijn: overleden de fictie-ontkoppelden, die de fictie (universum) niet direct willen/kunnen loslaten (overgangsfase/vagevuur?).
En mogelijk daarnaast kunnen “Djinn’s” overleden de niet-fictie-ontkoppelden zijn, die de fictie (universum) als laatste strohalm (voor de verdoemenis, in de fictie-theorie = vernietiging) niet wensen los te laten en zich hebben weten te koppelen in het zelfbewustzijn van een levende medemens.

Conclusie: de fictie-theorie past binnen het Islam-denkpatroon.

De fictie-theorie en het Hindoeïsme/Boeddhisme


Zowel het Hindoeïsme als het Boeddhisme kennen meerdere verschijningsvormen:

Het Hindoeïsme is beïnvloed door grote filosofen als Sankara, Ramanoedja, Vallabha en manifesteert zich in vele sferen n.l.:
de drie goden Brahman, Visjnoe, Sjiva; de lagere godheden; de mens; de dieren; de schimmen; de demonen.

Het Boeddhisme, waarvan Gautama Boeddha de stichter is, uit zich in de volgende verschillende vormen:
Het tantrische voertuig, het mahayana (grote voertuig), het hinayana (kleine voertuig).

De vele vormen, waarin het Hindoeïsme en het Boeddhisme zich manifesteert, dwingen een confrontatie met de fictie-theorie tot de volgende hoofdzaken te beperken:
  1. Het Hindoeïsme en het Boeddhisme ervaren het leven als een wereld van schijn, van illusie, waarachter de enige echte waarheid verborgen gaat.
    De fictie-theorie concludeert, dat het universum “materieloos” is, welke voor een hoger doel geschapen is.
  2. Het Hindoeïsme en het Boeddhisme menen, dat door de levensdorst van de mens (en de daaruit voortkomende daden) die veronderstelde enige echte waarheid voor de mens verborgen blijft, waardoor men gedwongen wordt een incarnatieketen te ondergaan, welke men kan doorbreken middels vernietiging van de gevolgen van zijn daden door kennis (innerlijke inkeer) en ascese.
    De fictie-theorie stelt, dat die enige echte waarheid een levenshouding is, waar, binnen één leven, op vrijwillige autonome onbaatzuchtige grondslag een band met de Schepper en zijn schepping wordt gesmeed.
    De fictie-theorie kent geen reïncarnatie. Daarentegen kan men de gedachtegang koesteren, dat jong-gestorvenen (onvoltooide levens), welke niet de tijd is gegeven om die cruciale band met de Schepper te smeden, via reïncarnatie alsnog daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Een en ander lijkt niet strijdig met de opzet van de schepping.
  3. Mocht men, na doorbreking van de reïncarnatieketen, de andere oever bereiken, zal men daar, indien men nog niet geheel volmaakt is, een paradijs en God vinden, waarna voldoende gelouterd het nirvana zal volgen. Wat het nirvana is, geeft Gautama Boeddha geen antwoord, omdat redeneren over het wezen ervan, onvruchtbaar is.
    Nagarjuna spreekt van een terugkeer van alle wezens in het oorspronkelijk ledige.
    Ramanoedja verwacht dat de zielen eeuwig van hun terugkeer bij God zullen genieten.
    Volgens de fictie-theorie is het begrip “hemel” een toestand van verbondenheid tussen de individuele liefde van de mens met de universele liefde van de Schepper en de daarmede verbonden liefde van de gehele mensheid, welke zich samenvoegt tot een goddelijke liefde-levensgemeenschap.

Conclusie: de filosoof Ramakrishna verklaarde reeds, dat godsdiensten “waar” zijn, als zij toelaten God te bereiken, hetgeen de betrekkelijkheid van ieder geloof onderschrijft, waardoor ook voor de fictie-theorie binnen het Hindoeïsme en het Boeddhisme plaats is.

De fictie-theorie en het Confucianisme/Taoisme


De Chinese filosofie is in de Chinese traditie van “gedachten” (bijv. de “Hundred Schools of Thought”; uit oud-chinees letterlijk vertaald “Alle filosofen honderd scholen”) geschreven, waarvan elementen al verscheidene duizenden jaren bestaan.
Het lijkt een smeltkroes van gedachten, waarin nieuwe gedachten zijn geaccepteerd, terwijl het ook tracht zich te verplichten met de traditionele opvattingen in het reine te blijven. Zo zijn er, gedurende de laatste decennia, sterke invloeden van het communistische en westerse rationalisme in de traditionele gedachtegang geslopen.

Het Confucianisme heeft zich hoofdzakelijk bezonnen op de traditie en de instelling van het Chinese volk, in een streven naar de volmaakte mens.

Het Taoisme (Daoisme) heeft zich meer herbezonnen op het theïstische gedachtegoed, zoals het Tao (de oerkracht), het Ying en Yang (het positieve en negatieve), de verbondenheid met de kosmos etc.

De fictie-theorie kan daarop een rationele aanvulling geven, zoals op de begrippen:
  1. Het “Tao”; hetwelk in de fictie-theorie, de vanuit een leegte scheppende potentie, zou kunnen verwoorden.
  2. Het “Ying”; hetwelk de positieve instelling van de scheppende potentie, zou kunnen dekken.
  3. Het “Yang”; welke mogelijk (naast het positieve) het negatieve autonome in de mens, omschrijft.

Weliswaar dekken de gegeven omschrijvingen de begrippen niet geheel, maar blijkt er een diepe grond van overeenstemming.

De verbondenheid van de fictie-theorie met de kosmos blijkt uit de stelling, dat de mens een, als product van de Big Bang, geëvolueerd dier is. De fictie-theorie kent geen hieraan verbonden rituelen.

Ook kent de fictie-theorie, naast een monotheïstische scheppende potentie, geen andere godheden, omdat anderszins een schepping van de mensheid niet nodig zou zijn geweest.

In (goede) geesten en demonen ziet de fictie-theorie slechts respectievelijk positief en negatief autonoom overleden mensen.

Het Taoisme kent, gemotiveerd door het Mohisme, een universele eenzelfde onpartijdige liefde en een terugkeer naar het Tao, hetgeen de fictie-theorie in zijn algemeenheid onderschrijft.

Conclusie: de fictie-theorie kan een rationele onderbouwing aan het Chinese gedachtegoed leveren.

Een door de fictie-theorie geïnspireerde filosofie
over het ontstaan van het universum


De fictie-theorie, welke het bestaansrecht van de mens onderbouwt, inspireerde tot de volgende filosofie over een mogelijke ontstaanswijze van het universum.

De fictie-theorie gaat ervan uit, dat bij een ultiem voortgezette ontleding mogelijk geen materie wordt aangetroffen en wij bijgevolg in een leegte (fictie) leven.
Daartoe introduceert deze theorie een geschapen ofwel volgens Stephen Hawkin spontaan ontstane materieloze oerkracht.
(Reeds Einstein’s Relativiteitstheorie concludeerde, dat ruimte, materie, tijd en energie uit niets zijn ontstaan.)

Deze oerkracht zou zijn te splitsen in een positieve en een negatieve materieloze oerkracht, welke elkaar zouden opheffen in de vergelijking; alle in het universum aanwezige positieve oerkracht minus alle daarin aanwezige negatieve oerkracht geeft als resultaat NUL (=fictie).

Conclusie: De “string” theorie is niet fundamenteel.

De Big Bang, hetwelk een splitsingsexplosie is, heeft genoemde immateriële oerkracht gesplitst in een nagenoeg oneindig aantal positieve en negatieve uit niets bestaande oerkrachtdeeltjes (welke vanwege het immateriële wederom eindeloos klein zijn).

Ervan uitgaande, dat temperatuur een meetsysteem van de snelheid van beweging is, kan er vóór de Big Bang (een bewegingsexplosie) bij een toen absolute nulpunt geen beweging zijn geweest.
Zonder die beweging heffen positieve en negatieve krachten elkaar op, doch door beweging blijven zij van elkaar gescheiden, ofwel, zonder beweging is er geen massa.
Stelling:
  • Massa is een gevolg van beweging van/tussen positieve en negatieve oerkrachtdeeltjes.

Om de Big Bang-splitsing tot stand te brengen was er een kracht nodig, welke ten minste gelijk moet zijn aan de in het universum bekende hoogste bewegingssnelheid, de snelheid van hel licht, waarmede die deeltjes vanuit één punt in een aanvankelijk homogene enorme dichtheid recht de door hun aanwezigheid zelf gecreëerde ruimte inschoten.
Stelling:
  • Ruimte is een gevolg van beweging en tijd.
  • Beweging is een gevolg van tijd en ruimte.

De tijdens de Big Bang verbroken oerkracht zal de oorspronkelijke toestand trachten te herstellen met een daartoe benodigde kracht van eveneens de snelheid van het licht. Deze hersteldrangkracht vormt de basis van de zwaartekracht.

Binnen een massa (planeet enz.) is deze zwaartekracht de oorzaak van het ervaren van gewicht, ofschoon massa in wezen gewichtloos is. Vandaar dat de verzinking van een hemellichaam in het “dark-mass” web niet wordt veroorzaakt door zijn gewicht, maar door een verderop verklaarde snelheidsvertraging van die massa.

De uitstootsnelheid (snelheid van het licht) wordt aanvankelijk niet gehinderd door de in de homogene dichtheid elkaar compenserende herstelkrachten van positieve en negatieve deeltjes, waarbij bovendien de kracht van de snelheid, ingevolge een wet van Newton (omgekeerd evenredig tot het kwadraat van de afstand tussen hen) groter is dan de compenserende kracht tussen hen, waardoor de positieve en negatieve deeltjes niet kunnen samensmelten.

Doch een miniem positie- verschil binnen deze homogeniteit kan tot een koersafwijking van één in het oneindig aantal deeltjes leiden, met de huidige structuur van het universum als uiteindelijk resultaat.

Binnen de eerste (bovenste) lagen rond het explosiepunt ondervonden deze deeltjes geen of nagenoeg geen weerstand van de andere deeltjes en bewogen deze zich, regelrecht met een onbelemmerde snelheid en nagenoeg ongeëvolueerd, naar de rand van ons huidig universum.

De volgende lagen daarentegen ondervonden in toenemende mate de weerstand van de voorliggende lagen, waardoor deeltjes neigden in een interactie hun rechte beweging om te zetten in een positief en negatief om elkaar draaiende beweging, daarmede hun rechte beweging vertragende, om vervolgens, in een uitdijende meer ruimte verschaffende ruimte, zelfs roterende bewegingen rond de reeds geëvolueerde twee-eenheden te introduceren, teneinde vervolgens, de evolutieleer getrouw, electrons, quarks, etc. macromoleculen, alle massasoorten te ontwikkelen.

In dit proces voorkomt de oorspronkelijke uitstoot-bewegingssnelheid een samensmelting tussen de positieve en negatieve krachtdeeltjes, waardoor er een ontwikkeling plaats vindt, welke is gebaseerd op beweging in een voortdurend positief/negatief evenwicht.
De uitstootkracht (snelheid) en de herstel-aantrekkingskracht (tussen de positieve en negatieve krachtdeeltjes) vormen samen alle in het universum voorkomende energie. Vanwege de leegte in het universum (zelfs binnen de materie) kan de oorspronkelijke explosiekracht (snelheid) van richting veranderen (zelfs in draaiende, tollende en trillende bewegingen) zonder zijn snelheid (energie) te verliezen (het behoud van energie).

In wezen bestaat er slechts weinig onderscheid in de samenstelling tussen de massa’s n.l. slechts de mate van verwevenheid van de oneindig kleine uit niets bestaande positieve en negatieve veelal ontelbare oerkrachtdeeltjes en de omwentelingsmate (positie-afhankelijk) van hun onderling gebonden bewegingssnelheid, hetgeen zich manifesteert in verschillende categorieën van krachtdragende deeltjes.

Zo is, verweven binnen de nucleus, de omwentelingsafstand van een quark kleiner dan die van een neutron en is bijgevolg, bij een gelijke snelheid (maximum de snelheid van het licht), het aantal omwentelingen van een quark groter, waardoor krachtbindender.
Zo ook zullen bij het openbreken van een atoom, enorme aantallen quarks enz. en waarschijnlijk big-bang deeltjes met de bestaande onderling bindende snelheid (maximum de snelheid van het licht) vrijkomen.

Zoals reeds is beschreven, ontstonden in de opvolgende lagen door de toenemende weerstand wederom toenemende draaibewegingen van/tussen de deeltjes met als gevolg grotere vertragingen in de oorspronkelijke snelheid, waarmede deze deeltjes de ruimte werden ingeschoten, hetgeen heden ten dage terug te vinden valt in de afnemende snelheden tussen de uit die lagen geëvolueerde galaxy’s, die daardoor zich van elkaar verwijderen.

Daarentegen nam de uitdijing in de eerste 7 miljard jaar juist af, hetgeen te verklaren valt uit de mindere snelheidsbelemmeringen in de (vlak na de Big Bang) aanvankelijk minder gecompliceerde heelal-opbouwperiode ten opzichte van de daarop volgende grotere snelheidsbelemmeringen in een meer gecompliceerde sterren en planeten vormende periode.

De aangehaalde toenemende weerstand heeft de betreffende galaxy’s sneller doen evolueren dan de eerder gelanceerde (galaxy-)lagen, welke daardoor aanzienlijk moeten verschillen van onze galaxy (en van die, welke op dezelfde afstand van het Big-Bang centrum liggen).

Het overgrote deel van de oerkrachtdeeltjes blijkt niet door een draaiende beweging te zijn gevangen, doch in de ruimte tussen de massa’s (galaxy’s, sterren, planeten, moleculen, etc.) te worden gebonden en de massa’s in de oorspronkelijke explosierichting mee te sleuren en voort te stuwen. Deze oerkrachtdeeltjes (dark mass) vormen de basis van het zwaartekrachtnetwerk (gravity-web) waarin de hersteldrangkracht tussen de positieve en negatieve oerkrachtdeeltjes deel uit maakt van het universumwijd zwaartekrachtveld.

Deze deeltjes hebben nog steeds de oorspronkelijke homogene samenstelling, maar hun onderlinge door een bolvormige omgeving veroorzaakte trapeze-formatie wordt door de ontwikkeling van (galaxy)lagen en de trekkracht van de afnemende galaxy-snelheden e.d. waarschijnlijk enigszins ruitvormig beïnvloed.

Dit vormt een (flexibel) driedimensionaal netwerk met theoretisch op iedere hoek beurtelings een positief en negatief oerkrachtdeeltje, welke bij het naderen van en het verankeren binnen de massa’s in ingewikkelder patronen opereert.

De algemene relativiteitstheorie veronderstelt een invloed van de zwaartekracht op de fotonen van het licht, waardoor het wellicht mogelijk is, dat het licht zich langs dit driedimensionaal netwerk zal voortplanten, waarmede mogelijk zijn en andere golfbewegingen verklaard kunnen worden, zo ook de hoog frequentie golfbewegingen, welke, vanwege hun van het netwerk afwijkend patroon niet via dit netwerk de atmosfeer kunnen binnen dringen.

De “black mass“, een zwaartekracht-web constructie (oorspronkelijk bestaande uit ongestoord rechtuit voortbewegende positieve en negatieve oerkrachtdeeltjes) tracht de door de evolutie snelheid verliezende galacties mee te sleuren, hetgeen, vanwege het verschil in snelheid, spanning veroorzaakt. Het toenemend verschil in spanning zal de zijdelingse homogeniteit tussen de oerkrachtdeeltjes verstoren in een afbuigende beweging naar een laag boven de meegesleurde galacties. Vanwege het bestaan van een enorme hoeveelheid “black mass” zal deze verstoring een black-mass verschuiving teweeg kunnen brengen met een omvang van vele malen de bekende galacties.
Deze ontwikkeling is reeds gaande bij interstellaire gasnevels van spiraalvormige sterrenstelsels, waarheen vernoemde oerdeeltjes (als een stuk van het blackmassweb) zijn afgebogen en evolueren via (onzichtbare) neutrino's en andere elementaire deeltjes in (zichtbare) moleculen (waterstof, helium).
Vandaar dat in (veelal oudere) elliptische sterrenstelsels een donkere materie opvallend afwezig is.
De nagenoeg uitgebalanceerde constructie van het universum doet vermoeden, dat deze ontwikkeling verspreid in dezelfde lagen van het universum zich zal voordoen.
Als gevolg van de globe-vormige uitbreiding van het heelal en andere omstandigheden als vlak na de Big Bang, zal de black-mass verschuivingslaag zich niet zo gecompliceerd ontwikkelen als bijvoorbeeld onze galactie.

Het einde van het universum wordt verklaard door zijn ontstaan; n.l. de eindigheid van de beweging, hetgeen mogelijk in de black holes kan worden waargenomen, waar een temperatuur van eentiende-millioenste boven het absolute nulpunt wordt verwacht.

De “black hole” is het eindpunt van een ster, welke op zijn beurt is ontstaan uit de vlak na de Big Bang gevormde deeltjes.
Deze deeltjes hebben zich verzameld tot een gasnevel, welke door de oorspronkelijke deeltjes ingezette bewegingsrichting-afwijking als een roterende beweging van de gehele nevel voortzet.
De door de kromming verkregen grotere invloed van de (oorspronkelijk door de splitsing opgeroepen) herstelkrachten ten opzichte van de bewegingssnelheid, zal de nevel alsmaar sneller draaiende van binnen uit verdichten (toenemende rotatie-snelheid) tot dat er een evenwicht tussen de herstelkracht en de bewegingssnelheid is ontstaan.

Dit vergroot de kans op botsing tussen de deeltjes, met (in het kort) als gevolg:
  • het los schieten van de in de eerder verbindingen gevangen deeltjes, welke de ster in het heelal zichtbaar maakt,
  • het inbreken van deeltjes in bestaande verbindingen (bijv. hydrogeen), hetgeen lijdt tot nieuwe structuren (zoals helium),
  • bij voortgezette verdichting worden deze structuren middels atoomsplitsing gekraakt in een ontelbaar aantal deeltjes, welke met maximum de snelheid van het licht de ruimte in schieten of andere atomen kraken tot na een lange tijd de daartoe benodigede brandstof is op geraakt.

Na een periode van positie en snelheid normalisatie binnen de verbindingen verliest de ster uiteindelijk helemaal geen deeltjes meer en geeft bij gevolg geen licht meer af en wordt onzichtbaar (black hole).

Door de grote verdichtingsdruk zijn de deeltjes dichter naar elkaar gedrukt, waardoor de invloed van hun herstelkrachten op de bewegingen zich laat gelden in een kleinere omloopbaan en een lagere omloopsnelheid.
Deze ontwikkeling zet zich voort in als maar mindere bewegingen (en dus lagere temperaturen) en anderzijds toenemende herstelkrachten (zwaartekracht) tot bij het absolute nulpunt (beweging nihil) of eerder, de deeltjes in elkaar overgaan en verdwijnen.

De boven beschreven filosofie kent de volgende punten van kritiek op het door Stephen Hawkin geschreven boek “The Grand Design”


Zo schrijft Stephen Hawkin, dat ruimte en tijd eindig doch onbegrensd zijn, en het universum geen begin kent.

Hij verliest hiermede de onderlinge samenhang uit het oog.
Stelling:
  • Ruimte is een gevolg van beweging en tijd.
  • Universum is een gevolg van ruimte en massa.
  • Massa is een gevolg van beweging van positieve en negatieve krachten.

Zonder beweging is er geen ruimte en geen massa en dus geen universum.

De door Stephen Hawkin beschreven inflatietheorie (het opblazen van een klein gedeelte van de ruimte tot de grootte van een universum) houdt niet alleen in het evenwichtig verhogen/verlagen van de positieve en negatieve energie, doch is ook een kwestie van uitstootsnelheid, welke niet geleidelijk kan worden verkregen en gepaard gaat met de destructie van eventuele bestaande structuren.
Zonder de (uitstoot-)bewegingssnelheid zal de positieve en negatieve energie elkaar opheffen.

Het door de universum-filosofie beschreven feit, dat de rand van ons universum zich met nagenoeg de uitstootsnelheid uitbreidt, geeft geen aanleiding te veronderstellen, dat ons universum onderdeel zou kunnen zijn van een groter geheel (multiverse).
De stelling “ruimte is een gevolg van beweging en tijd” doet zelfs veronderstellen dat ieder mogelijk universum zijn eigen ruimte kent (zoals iemands dagdroom over een universum nooit met andermans dagdroom over diens universum met elkaar in verbinding komen).

De door de filosofie ge-uite kritiek zet een groot vraagteken achter Stephen Hawkin’s uitlating;
“it is not necessary to invoke God to light the blue touch paper and set the universe going”.


Curieus is, dat in weerwil van hetgeen men zou verwachten, de Big-Bang geen lichtexplosie veroorzaakte, maar voor het menselijk oog onzichtbaar bleef.

Immers, de gesplitste deeltjes waren aanvankelijk homogeen en enkelvoudig van samenstelling. Het oog daarentegen verwacht een gecompliceerde samenstelling (met fotonen) en in wave-vorm, welke wederom pas bij het bestaan van een web kan worden gevormd.

Bovendien hebben alle deeltjes in aanvang dezelfde snelheid en daarom niet de mogelijkheid van een passage van een zich in dezelfde richting voortbewegende vormend web.

De zichtbaarheid (licht) ontstaat pas bij richtingwijziging in een onstabiele omgeving, waar reeds samengestelde deeltjes (met fotonen) zich in afwijkende richtingen los maken en in het inmiddels gevormde web de “wave“ vorm kunnen aannemen.

Ten gevolge van de snelheidsafname van de galactie-potenties zullen de richting afwijkende deeltjes door hun gelijkblijvende oorspronkelijke snelheid ook in de oorspronkelijke richting zichtbaar worden.

De universum-filosofie en het standaardmodel


Het standaardmodel van de deeltjesfysica is een theorie, waarin de krachten en deeltjes die alle materie vormen worden beschreven.
Terwijl dit standaardmodel langs proefondervindelijke weg theoretiseert, benadert de eerder omschreven universum-filosofie diezelfde materie vanuit de oorsprong “de Big Bang”.

Zoals reeds is uiteengezet, gaat de universum-filosofie uit, van uit het niets door splitsing ontstane positieve en negatieve oerkrachtdeeltjes (ladingjes), die een respectievelijk positieve en negatieve uitstootenergie gekoppeld hebben meegekregen.
Deze positieve en negatieve splitsing- en uitstootenergieën heffen elkaar op, hetgeen betekent dat het universum uit niets moet zijn ontstaan.

De ontstane oerdeeltjes streven ernaar de oorspronkelijke situatie (het niets) te herstellen, maar dit wordt door hun eigen snelheid verhinderd.
De oerdeeltjes kennen geen massa en bewegen zich in een lege ruimte, waardoor hun snelheid ongehinderd en eindeloos hetzelfde kan blijven.

Omdat het universum evenwichtig blijkt te zijn opgebouwd, mag men aannemen, dat bij het ontstaan ook de oeruitstoot evenwichtig en rechtlijnig heeft plaats gevonden.
Echter, zoals reeds eerder is beschreven, zal al bij een minimale afwijking in die rechtlijnigheid een verstoring in evenwicht tussen aanvankelijk twee deeltjes, met als domino-effect tussen enorme aantallen oerdeeltjes, teweeg worden gebracht.

De geschetste evenwichtsverstoring veroorzaakt een binding met het neven-liggende deeltje en geeft een bindingskrachtveld (bindingsenergie ofwel aanzwellende massa) tussen de betreffende deeltjes (ladinkjes), waarbij de mate waarin de snelheidsenergie van een rechte in een gedeeltelijk voortzettende verbogen beweging wordt voortgezet plus de grootte van de afstand van waaruit het andere deeltje wordt geattaqueerd, de innigheid van de relatie met het partnerdeeltje en dus ook de bindingsenergie ofwel de aanzwellende massa bepalen.

Integreert men de boven in het kort beschreven universum-theorie in het bestaande proefondervindelijk samengestelde standaardmodel, krijgt men de volgende definities:

Neutrino:
1 positief met 1 negatief oerdeeltje.
Electron:
1 positief met 2 negatieve oerdeeltjes.
Up-quark:
  • 2 positieve deeltjes-combinaties, elk samengesteld uit:
    • 2 positieve oerdeeltjes
    • 1 negatief oerdeeltje
  • 1 negatief deeltjes-combinatie, samengesteld uit:
    • 2 negatieve oerdeeltjes
    • 1 positief oerdeeltje
Down-quark:
  • 2 negatieve deeltjes-combinaties, elk samengesteld uit:
    • 2 negatieve oerdeeltjes
    • 1 positief oerdeeltje
  • 1 positief deeltjes-combinatie, samengesteld uit:
    • 2 positieve oerdeeltjes
    • 1 negatief oerdeeltje
Proton:
  • 2 up-quarks, welke als boven gespecificeerd zijn samengesteld
  • 1 down-quark, welke eveneens als boven gespecificeerd is samengesteld
Neutron:
  • 1 up-quark, samenstelling zie boven
  • 1 down-quark, samenstelling zie boven
  • 1 neutrale quark, bestaande uit:
    • 1 positief deeltjes-combinatie, bestaande uit:
      • 2 positieve oerdeeltjes
      • 1 negatief oerdeeltje
    • 1 negatief deeltjes-combinatie, samengesteld uit:
      • 2 negatieve oerdeeltjes
      • 1 positief oerdeeltje


De positieve en negatieve (antimaterie) deeltjes fungeren als bindingskracht, voor al wat massa heeft, en wel dusdanig heftig, dat zij door de uitstoot-snelheidsenergie van elkaar gescheiden gehouden moeten worden.

Boson:
Het bovenstaande veronderstelt, dat zij niet als principiële binding (voor al wat massa heeft) functioneren, doch wellicht een evenwicht regulerende taak vervullen, hetgeen zich extreem bij magnetisme manifesteert.
Graviton:
Een aanvankelijk massaloos oerdeeltje, welke door zijn binding als structureel onderdeel van het (zwaartekrachtnetwerk) web, bindingskracht en dus massa heeft gekregen.
Dit proces is reeds eerder beschreven.


In tegenstelling tot het standaardmodel is in de universum-filosofie binnen het universum materie en anti-materie in evenwicht en is er geen sprake van een samenstel van materie bindende krachten, maar daarentegen sprake van één universele de materie bindende kracht.

Zoals eerder in dit essay is beschreven, is het heelal uit een immateriëel iets (het niets) ontstaan; namelijk uit een immateriŽle oerkracht, welke zich splitste in positieve en negatieve oerkrachtdeeltjes (krachtveldjes), welke elkaar zouden opheffen, ware het niet, dat de splitsingsuitstootsnelheid de oerdeeltjes weerhoudt samen te smelten.

De aldus - door de inflatie-explosie veroorzaakte onvoorstelbare - dichtheid aan oerdeeltjes verminderde in enkele seconden tot een meer bevatbare omvang als gevolg van hun 180 graden positie, de vanuit een nulpunt bolvormige spreiding en de hoge uitstootsnelheid (snelheid van het licht).

Omdat men ervan uit mag gaan, dat de oerbron van de oerdeeltjes (het niets) geen beweging (geen temperatuur) kende, mag men veronderstellen dat ook de uitstootspreiding bij een temperatuur gelijk aan het absolute nulpunt (bijgestelde Kelvin), dus zonder trilbeweging, heeft plaatsgevonden, waardoor de energiebalans niet verstoord is kunnen worden.

Dit in tegenstelling tot die oerdeeltjes, welke deel uitmaken van het eerder beschreven zwaartekrachtweb (black mass), die in hun poging de snelheidsvermindering van de galaxy-vormende lagen te compenseren, een deel van hun oorspronkelijke uitstootsnelheid hebben moeten omzetten in een trillende beweging, hetwelk in het heelal als een minimale mutatie boven het absolute nulpunt moet kunnen worden terug gevonden (achtergrondstraling).

Slot alinea


De site mag zich verheugen over een bezoekersaantal van inmiddels meer dan 40.000 bezoekers (December 2014), hetgeen aanleiding geeft hieronder te onderzoeken welke reacties dit artikel heeft opgeroepen:

Verwijzingen naar deze site, verzonden naar universiteiten en kerkelijke overheden, hebben slechts één reactie opgeleverd, n.l. van het L.M.U. te München, met de opmerking; “indeed very interesting”.

Verwijzingen, verzonden naar tijdschriften, leverden geen publicatie op; wel opmerkingen:
  • Nederlands Theologisch Tijdschrift:
    “Ik en een ander redactielid (beide professoren) hebben het artikel gelezen met als conclusie, dat het als karakter niet past in het tijdschrift, met als slotopmerking; interessant materiaal.”
  • La Vie (hebdomadaire chrétien):
    “Ik heb de site geconsulteerd en doorgezonden naar de redactie.”
  • Tijdschrift voor Theologie:
    “Te weinig wetenschappelijk in de benadering tot de bestaande inzichten, opmerking; succes bij uw verder onderzoek.”
  • Nova Religio (San Diego State University):
    “We are looking for articles about new religions, rather than philosophical reflections.”
  • Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte:
    “Ons tijdschrift is niet het geschikte medium.”
  • Implicit Religeon (Journal):
    “Not in keeping with the area of ‘implicit’ religion.”

Al met al een pover resultaat.
Wel opvallend is, dat er tot dusverre geen enkele negatieve reactie is binnen gekomen.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie, dat de wetenschap het hier laat afweten en niet wil/kan bijdragen aan een controle op de waarheidsbevinding binnen de fictie-theorie.
Men zal dus bij zich zelve te rade moeten gaan, welke waarde men aan de uiteengezette theorieën wenst te hechten.


Graag nodig ik U uit om (middels het hierna volgende reactie-gedeelte) deel te nemen aan een open dialoog omtrend deze theorie/materie: Wat vindt U?

Geef uw reactie:






Reacties:



Anonymous This is a rather interesting theory, especially the part how this theory could explain the origin of our galaxy. I’ve bookmarked this site; can’t wait till the next update! How would sumerian beliefs fit this theory?

98093 unieke sessies sinds 04-jun-2010
Home | Disclaimer | Privacy | Copyright
Development, design, code & hosting by AlfaLAN.nl